Op donderdag 1 oktober vond de derde Zeeuwse IKC netwerkbijeenkomst plaats in de Hogeschool Zeeland te Vlissingen. De bijeenkomst werd geopend door gastheer Henk Zielstra (Managing Director/wnd, Dean Academie Zorg en Welzijn & Academie Educatie en Pedagogiek). Henk Zielstra gaf al snel het woord over aan Emile Eshuis (RPCZ/PACT) die benadrukte dat de Zeeuwse IKC netwerkbijeenkomsten - die hij samen met Betty de Jaeger (RPCZ) nu voor de derde maal organiseerde – tot doel hebben om kennis te delen en te bundelen en elkaar te inspireren door proeftuinen op te stellen en ervaringen uit te wisselen. De netwerkbijeenkomsten zijn bestemd voor professionals in onderwijs, kinderopvang en zorg die met elkaar werken aan de totstandkoming van kindcentra. Maar uiteindelijk gaat het natuurlijk om de kinderen voor wie we het allemaal doen!

Wat was er allemaal te doen tijdens deze Zeeuwse IKC-PACT-netwerkbijeenkomst?

  • Inloop met koffie, thee en gebak
  • Introductie door Henk Zielstra en Emile Eshuis
  • Inleiding door Paul Leseman, hoogleraar orthopedagogiek aan de Universiteit Utrecht
  • Maaltijd en gelegenheid tot netwerken
  • Presentaties:
    • Twee keer kiezen uit drie korte good practice presentaties:
      • Hanneke van de Meerendonk: Samenstellen van en werken met een multidisciplinair team
      • Henk Zielstra: Scholen van de toekomst…méér dan onderwijs én geen opvang….
      • Kirstie van der Heide-Güthe: Praktijkervaringen na 1 jaar kindcentrum De Aventurijn
    • Of een langere presentatie van Rein Zunderdorp over de beleidsactualiteit volgen
  • Afsluitende borrel

Van de korte good practice presentaties is geen verslag gemaakt. Wel worden de beschikbare presentaties als bijlage bij dit verslag toegestuurd.


plesemanPaul Leseman Hoogleraar Orthopedagogiek - Universiteit Utrecht Universeel en geïntegreerd

In zijn inleiding gaf Paul Leseman een treffende beschrijving van het huidige, gefragmenteerde stelsel van voorzieningen voor opvang en educatie van jonge kinderen. Zijn uitgangspunt is: “Streef ernaar om maatschappelijke ongelijkheid te voorkomen of te verminderen door het aanbod aan kinderen met risico op achterstand goed te doordenken”. Naar de mening van Leseman vraagt dit om een herziening van ons huidige stelsel.

Als onderzoeker wil hij graag een bijdrage leveren aan de hervorming van het stelsel van voorzieningen van voor- en vroegschoolse opvang. Zijn bijdrage als wetenschapper is dat hij de resultaten van onderzoek deelt met belanghebbenden en besluitvormers, zodat men uiteindelijk een goede afweging kan maken van de alternatieven die voorhanden zijn. Om naar een stelselhervorming toe te kunnen werken, is het nodig om dit onderwerp op de lange termijn op de agenda van de regering te krijgen. De SER bereidt hierover op dit moment dan ook een advies aan de regering voor.

Leseman noemt een aantal nadelige effecten van de huidige ‘lappendeken’ aan voorzieningen:

  • Het huidige stelsel wordt selectief gebruikt door hoogopgeleide ouders en ouders uit de middenklasse, dit werkt segregatie (verdergaand onderscheid tussen groepen kinderen) in de hand en dat leidt weer tot verzwaring van het werk van leerkrachten op de basisscholen;
  • Het huidige stelsel wordt in verhouding niet erg gewaardeerd, zo blijkt uit het relatief lage gebruik dat er van gemaakt wordt (2,3 dagen per week gemiddeld is laag als je het vergelijkt met andere Europese landen). Gevolg van het geringe gebruik is dat de georganiseerde voorzieningen afgewisseld worden met opvang in de privésfeer (grootouders, buren), waardoor de stabiliteit van de voorzieningen afneemt en het aantal ‘gezichten’ in de opvang per week toeneemt. De pedagogische norm is maximaal 3 verschillende personen voor opvoeding/opvang per week, in Nederland lijken het er soms wel 6 of 7 per week te zijn;
  • Gebleken is dat ouders uit de lagere sociale klassen meer gebruik maken van opvang in eigen kring dan van de georganiseerde voorzieningen. Dit bestendigt helaas de achterstanden tussen kinderen van verschillende milieus en maakt dat de kloof tussen groepen kinderen ongewild groter wordt;

Volgens Leseman is het gelijkheidsbeginsel nog onvoldoende gerealiseerd in het huidige onderwijssysteem. Hij beschrijft het huidige systeem als een rivierdelta met eilanden, bruggen, stromen en dammen en pleit voor een geïntegreerd stelsel dat recht doet aan de achterstand van kinderen uit bepaalde milieus. Na afloop van zijn inleiding geeft hij – als antwoord op vragen uit de zaal – aan dat hij omwille van het tijdsbestek de discussie over inclusief onderwijs niet expliciet meegenomen heeft in zijn presentatie. Onderwijsachterstanden vloeien immers niet enkel voort uit sociale problematiek, maar kunnen ook eigen zijn aan individuele kinderen en hun kenmerken.

Om de kloof tussen kinderen uit verschillende sociale milieus zo klein mogelijk te houden, stelt Leseman in zijn onderzoek zichzelf o.a. de vraag of we voorzieningen kunnen creëren waar zogenaamde doelgroepkinderen en niet-doelgroepkinderen optimaal gemengd zijn. Wat is de optimale mix? Als het aantal doelgroepkinderen in een groep toeneemt, dan neemt de kwaliteit van het aanbod ook vaak toe (kleine groepen, goede voorzieningen). Maar tegelijkertijd geldt: als het aantal doelgroepkinderen toeneemt, dan neemt de kwaliteit van de talige interacties tussen de kinderen onderling af, hetgeen een nadelig effect heeft op de taal- en woordenschatontwikkeling bij kinderen tussen 3 en 6 jaar.

Aangezien het scheiden van doelgroep- en niet-doelgroepkinderen op praktische (lees: financiële) bezwaren stuit, pleit Leseman ervoor om een universeel aanbod te creëren: zorg ervoor dat je als samenleving een hoogwaardig universeel aanbod ontwikkelt voor jonge kinderen. Dat zorgt voor kwaliteit, dat past binnen een lerende economie en alle kinderen kunnen er in gelijke mate van profiteren. De politieke vraag die daarbij ongetwijfeld gesteld zal worden is of het maatschappelijke profijt opweegt tegen de kosten die gemaakt moeten worden. Daarbij zouden bijvoorbeeld de kosten van ouderschapsverlof eens afgezet moeten worden tegenover het alternatief van een universeel aanbod. Leseman stelt dat –ongeacht de keuze die er gemaakt wordt – het instandhouden van onze nationale lappendeken (dus het voortbestaan van een combinatie van alternatieven) altijd de duurste zal zijn. Niet kiezen en doorgaan op oude voet lijkt in financieel opzicht dus echt het minst aantrekkelijk.

Waarom zouden we een universeel aanbod ontwikkelen? Nu de samenleving complexer wordt, worden er hogere eisen aan ons gesteld. De 21e eeuwse vaardigheden komen hier om de hoek kijken voor ouder en kind!

Hoe jong zouden kinderen in een ideale situatie van dat universele aanbod gebruik moeten maken? Leseman pleit ervoor om dit zeker vanaf 2 jarige leeftijd te doen. Ideaal zou zijn als kinderen vanaf het moment dat ze gaan lopen (en dus de wereld om hen heen meer en meer gaan verkennen) van universeel georganiseerde opvang gebruik zouden maken. De opvang van baby’s is duur en kwalitatief (gemeten naar de behoefte van jonge kinderen) slecht, dus het lijkt niet aan te raden om de opvang van baby’s mee te nemen in een universeel aanbod. Onderzoek heeft echter aangetoond dat er tussen kinderen die beneden het gemiddelde scoren op testen die executieve functies meten en kinderen die boven het gemiddelde scoren op dergelijke testen, op 2-jarige leeftijd al (max) een ontwikkelingsverschil van een jaar kan bestaan. Het universele aanbod zou dus idealiter vanaf 1,5 jaar, maar minstens vanaf 2-jarige leeftijd in moeten gaan.

Heeft universeel en geïntegreerd aanbod nut? Buitenlands onderzoek toont aan van wel, evenals het pre-COOL onderzoek naar de ontwikkeling van executieve functies bij jonge kinderen. Economische opbrengsten zijn helaas alleen op lange termijn te berekenen. Tot slot: hoogwaardig en universeel toegankelijk aanbod maakt Nederland ook tot een leuk land. Het heeft niet alleen effect op kinderen, maar maakt Nederland tot een aantrekkelijke vestigingsplaats voor volwassenen. Een positief effect dat de groei van de kenniseconomie ten goede zal komen!


rzunderdorpRein Zunderdorp - Socioloog

Rein Zunderdorp is socioloog, hij was wethouder in Groningen en werkt nu als zelfstandig beleidsadviseur. Hij ziet IKC’s als een noodzakelijke schakel in het huidige patroon van opvang- en educatievoorzieningen. Zunderdorp is van mening dat de actuele maatschappelijke ontwikkelingen vragen om beleid dat een universeel aanbod aan opvang en onderwijs mogelijk maakt. In die zin sluit zijn presentatie naadloos aan op de inleiding van Paul Leseman. Omdat hij niet in herhaling wil vallen, besluit Zunderdorp ter plekke om niet de oorspronkelijk geplande presentatie te geven. In plaats daarvan gaat hij een interactieve sessie aan met de groep aanwezigen. Er is volop gelegenheid tot het stellen van vragen en voor discussie, hetgeen de betrokkenheid van de groep vergroot.

Na een korte opsomming van zijn achtergrond, zijn politieke en beleidsadviserende werkzaamheden, benoemt Zunderdorp allereerst het feit dat Zeeland en Noord Brabant het hoogste percentage Brede Scholen lijken te hebben van heel Nederland. Uit de groep komt de opmerking dat Brede Scholen met hun horizontale integratie (samenwerken van partners in één gebouw) minder meerwaarde lijken te hebben dan kindcentra waar sprake is van verticale integratie (begeleiding van kinderen gedurende de eerste 12 levensjaren). Zunderdorp beaamt dat de Brede Scholen van oorsprong voor kwamen in kleine kernen en een buurtfunctie hadden, terwijl de kindcentra meer kindgerelateerd zijn. Hij geeft bovendien aan dat de afgelopen tien jaar het aantal kinderen dat gebruik maakt van een voorschoolse voorziening afgenomen is van 90% naar 68%. Een van de gevolgen van de toename van de prijs van kinderopvang was een afname van de vraag naar kinderopvang.

In de landelijke politiek lijkt nu (conform plannen van minister Asscher) de tijd rijp te zijn voor het omlaag brengen van de ouderbijdrage (middels extra gelden voor gemeenten) waarna, naar verwachting, de vraag naar kinderopvang zal stijgen. Nu de economie begint aan te trekken, komt er ruimte voor dergelijke initiatieven en wil de landelijke overheid zien te voorkomen dat Nederland op dit punt verder achter gaat lopen bij de ons omringende Europese landen. Vanuit het Kindfonds is er een regiegroep ontstaan waarin vertegenwoordigers van onderwijs, overheid en kinderopvang gezamenlijk lobbyen om aandacht te genereren voor een universeel aanbod van voorzieningen.

Begin oktober 2015 vindt er in Den Haag een conferentie plaats waarin de regiegroep een boek presenteert met aandacht voor:

  • Analyse van de juridische constructen rondom de vorming van IKC’s, inclusief politieke aanbevelingen. Te denken valt bijvoorbeeld aan personele constructen (financiering en cao-kwesties) vanwege het feit dat men binnen een IKC zowel te maken heeft met wet- en regelgeving vanuit de kinderopvang als vanuit het onderwijs.
  • Analyse van en aanbevelingen t.a.v. de benodigde geldelijke middelen. Als het Belgische model (vergelijkbaar met het universele, geïntegreerde model dat Leseman voorstelt) navolging zou vinden, dan zou dat de samenleving circa 1,3 miljard euro per cohort (alle kinderen van een bepaalde leeftijd) kosten. Als men zou streven naar een universeel aanbod voor 90% van de kinderen vanaf 2 jaar, dan kost dat minimaal 2 miljard euro per jaar extra. De invoering van een breder aanbod vanaf 3 jaar, kost minstens 1 miljard euro per jaar extra (en dus minstens 4 miljard in de volgende kabinetsperiode). Het politieke knelpunt, aldus Zunderdorp is dat het hier telkens gaat om financiering die op korte termijn nodig is om op lange termijn effect (kenniseconomie bv.) te kunnen sorteren.

Zunderdorp voorspelt daarmee dat het onderwerp van het universele aanbod hoe dan ook een punt van aandacht zal worden voor diverse partijprogramma’s in de volgende verkiezingsperiode.

Na deze interessante analyse van de gevolgen voor de landelijke politiek, komen in het gesprek met de groep nog twee andere onderwerpen ter sprake:

  • Gebrek aan mannen in kinderopvang en onderwijs neemt toe: niet goed voor kinderen, niet goed voor teams in opvang en onderwijs. Het probleem hangt mogelijk samen met de status en de salariëring binnen de beroepsgroep.
  • Schaalgrootte van voorzieningen: bestaat er een optimale schaalgrootte? Het platteland staat onder (financiële) druk. Inclusief onderwijs vraagt om schaalgrootte van enige omvang (financiën en kwaliteit). Gemeenten hebben slechts beperkte mogelijkheden om druk uit te oefenen op schoolbesturen. Er is een gevoel van urgentie nodig om gezamenlijk problemen in kaart te brengen, maar een wethouder die zijn/haar nek wil uitsteken kan daarbij wel helpen.

Slotvraag van Rein Zunderdorp: Gaat het door? Hebben we over 10 jaar een universeel aanbod aan voorzieningen gerealiseerd? De aanwezigen zeggen volmondig JA, want:

  • Er is financiële urgentie (gebouwen, algemene middelen) om samen te werken
  • Het is in het belang van kinderen om steeds weer in te zetten op doorgaande leerlijnen
  • Het is in het belang van werkende ouders om het aanbod goed in te richten
  • Het is in het belang van de landelijke politiek om ervoor te zorgen dat Nederland niet achter gaat lopen (qua voorzieningen) bij de ons omringende landen!

 

video vp film

 Samen aan de slag!